HH-025 · Volledige tekst

Een middeleeuwse paardentuighanger uit Sluis

Tijdens graafwerkzaamheden achter een pand op de Groote Markt in Sluis werd rond het jaar 2000 met een metaaldetector een kleine geëmailleerde hanger gevonden met daarop een wapen van een klimmende leeuw met schuinbalk. Bij het graafwerk kwam een met hout beschoeide beerput of mestkuil vrij te liggen waarvan de vulling in het begin van de veertiende eeuw was te dateren. Eén van de vele vondsten hieruit betrof de hierboven genoemde hanger.

De hanger werd door een Vlaamse publicist toegeschreven aan Gwijde van Namen (1272-1311). Omdat meerdere familieleden hetzelfde wapenschild voerden rijst hierbij de vraag of deze toeschrijving juist is.

De hanger is nog voorzien van de bevestiging aan het leer van het tuig van een paard. Het diende mede tot herkenbaarheid en status van de eigenaar, een ridder, of van een in zijn dienst staand persoon, bijvoorbeeld een schildknaap of boodschapper. Geëmailleerde heraldische hangers komen vanaf de 12de -13de eeuw in gebruik wanneer ridders zich volledig gaan hullen in een harnas, inclusief een gesloten helm. De persoonlijke herkenbaarheid verdween hierbij. Vlaggen, banieren, schilden en/of kleding maakten in het vervolg kenbaar welke persoon het betrof. Aangezien een ridder in volle wapenuitrusting zich te voet nauwelijks kon verplaatsen werd - en bleef - het voornaamste vervoermiddel voor hem het paard. Ook dat paard werd ‘aangekleed’ met dekkleden in de heraldische kleuren van de ridder en aan de riemen hingen soms tientallen kleine, van email voorziene hangers met diens wapen. (Afb. 2).

Deze hangers werden vlak tegen de leren riem bevestigd waardoor de afbeelding eenzijdig kon worden aangebracht. Er zijn echter verschillende manieren bekend om de schildjes te bevestigen. Het kon bijvoorbeeld d.m.v. een metalen strip met een scharnierpunt waaraan het oog van de hanger hing, zodat deze vrij kon bewegen. (Afb. 3).

Ook zijn er hangers bekend met een bevestigingspunt aan de achterzijde voor een vaste verbinding met de ondergrond. De ridders kozen daarbij oorspronkelijk hun eigen devies en afbeelding; zo hadden bijvoorbeeld de graven van Vlaanderen een staande klauwende leeuw in hun wapenschild. De centrale afbeelding van de hanger uit Sluis is een staande klauwende leeuw in sabel (zwart) op een gouden veld waardoor van linksonder naar rechtsboven (heraldisch gezien) een schuinbalk in keel (rood) loopt. (Een wapenschild wordt altijd beschreven als staand achter het schild). Deze afbeelding kwam toe aan de Vlaamse graaf Gwijde van Dampierre (1226-1305) na aankoop van het graafschap Namen in 1263. Dat wapenschild staat ook op de door hem geslagen Namense munten vanaf de tweede helft van de 13de eeuw. Voor Vlaanderen gebruikte hij uiteraard de Vlaamse leeuw zonder schuinbalk, zowel op zijn zegelstempel als op uitrusting, munten etc. (Afb. 4).

Uit Nederlandse vondsten is een klein aantal paardentuighangers bekend. In Aardenburg en Sluis zijn door metaaldetectorzoekers inmiddels een dertiental exemplaren gevonden, waarvan het merendeel in Sluis.¹

De hanger met het Namense wapenschild (afb. 1) werd in 2002 tentoongesteld in het Archeologisch museum in Aardenburg, tezamen met metaalvondsten van verschillende metaaldetectorzoekers uit de regio. Tijdens deze tentoonstelling trok de hanger de aandacht van de heer Joris de Sutter uit Vlaanderen, die er daarna een publicatie aan wijdde onder de titel: Een paardenharnaspendant van Gwijde van Namen. De heer De Sutter publiceerde zijn artikel vervolgens in Openjournals-urgent.be. Het artikel is als PDF op internet te vinden. In zijn artikel gaat de heer De Sutter dieper in op de rol die Gwijde van Namen heeft gehad in de geschiedenis van Vlaanderen en Zeeland rond 1300. Een belangrijke rol wordt aan hem toegeschreven vanwege zijn optreden in de Guldensporenslag in 1302 bij Kortrijk. De overwinning van Vlaamse burgers in samenwerking met regionale adellijke heren op het Franse leger wordt nog steeds als één van de hoogtepunten van de Vlaamse geschiedenis beschouwd. In zijn artikel gaat dhr. De Sutter uit van de veronderstelling dat de hanger toebehoorde aan de uitrusting van Gwijde van Namen en dat de hanger tijdens een bezoek aan Sluis verloren is. Harde bewijzen voor deze veronderstelling ontbreken echter in zijn verhaal. Hieronder volgt in het kort wat er bekend is over Gwijde van Namen.

Gwijde van Namen (1272-1311), heer van Ronse

Hij was de tweede zoon uit het tweede huwelijk van zijn vader Gwijde van Dampierre met Isabella van Luxemburg in 1265. Gwijde van Namen is het typische voorbeeld van een jonge man uit een adellijk geslacht, die als tweede zoon geen recht heeft op erfopvolging en dus ook niet op een titel met inhoud. Afkomstig uit een adellijke familie en vol van grote ambities streden deze ridders in de vele veldslagen die er in Europa in de 13de en 14de eeuw plaats vonden. Conflicten over grondgebied, eigendomsrecht of belastinggeld etc. waren vaak reden genoeg voor een gewelddadig optreden. Dat een dergelijk optreden - ook tijdens toernooien - nogal eens fataal afliep voor de deelnemers werd op de koop toe genomen. Gwijde van Namen zou ook Gwijde van Dampierre II of heer van Ronse genoemd kunnen worden, maar uit twee in Namen bewaarde akten uit 1311 blijkt dat hij zichzelf Gwijde van Vlaanderen noemt. Hierna noem ik hem dan ook Gwijde van Vlaanderen i.p.v. Gwijde van Namen.

Behalve zijn succesvol optreden tijdens de Guldensporenslag in 1302 had Gwijde sterke ambities om graaf van Zeeland te worden. In mei 1303 had hij namelijk Middelburg en Walcheren veroverd en schafte hij zich de titel aan van graaf van Zeeland, een titel die hij tot zijn dood behield. Gwijde van Vlaanderen vertrok in 1304 opnieuw met een vloot uit Sluis om via de Schelde overig Zeeland aan te vallen. De zeeslag bij Zierikzee op 11 augustus 1304 verloor hij echter. Hij werd gevangen genomen door Franse troepen die de Zeeuwen en Hollanders ondertussen te hulp waren gekomen. In 1305 kwam hij weer vrij en nam kort daarna als maarschalk dienst in het leger van zijn oom, Hendrik VII van Luxemburg, die tot Rooms-Duitse koning was verkozen. Samen met zijn broers, Jan I van Namen en Hendrik van Lodi, trok hij in 1310 met deze koning naar Italië waar hij een jaar later op 39-jarige leeftijd in Pavia stierf, waarschijnlijk aan de gevolgen van de pest die hij had opgelopen tijdens de belegering van Brescia in de zomer van 1311. Het is de vraag of Gwijde van Vlaanderen als tweede zoon van de graaf van Vlaanderen rechten kon ontlenen om het wapenschild van Namen te voeren. Met andere woorden, behoorde de hanger uit Sluis hem wel toe? Deze vraag is interessant genoeg om na te gaan of er andere kanshebbers te vinden zijn. Op Namense munten uit de 13de en 14de eeuw staan de namen bijvoorbeeld van Gwijde van Dampierre als markgraaf van Namen en daarna van zijn zoon Jan I van Namen en verdere opvolgers. Alleen als graaf van Namen konden zij rechten ontlenen om munten te laten slaan met een afbeelding van een leeuw met schuinbalk. Van Gwijde van Vlaanderen zijn geen munten bekend die geslagen zijn in Namen, uiteraard omdat hij niet gerechtigd was om deze te slaan. Wel is er deze afgebeelde Tourse groot, die hij na zijn overwinning op Middelburg als ‘graaf van Zeeland’ liet vervaardigen. Erg groot zal deze muntslag niet geweest zijn, er is slechts één exemplaar bekend. (afb. 6)

Als oudste zoon uit het tweede huwelijk van graaf Gwijde van Dampierre komt het Jan I van Namen eerder toe om zich te tooien met de heraldische tekens van het graafschap Namen. In 1298 werd hij gouverneur en in 1305, na het overlijden van zijn vader, graaf van Namen. Zelfs als Jans jongere broer Gwijde de heraldische tekens van het graafschap Namen zou willen dragen kon dat dus niet eerder dan die datum. Een variant van het wapen van Namen met schuinbalk kon uiteraard wel. Zo kon de (familie) relatie met het oorspronkelijke wapen aan de toeschouwer duidelijk worden gemaakt. In het Wapenboek van het Middeleeuwse Vlaanderen is een wapenschild van Gwijde afgebeeld. De beschrijving luidt: in goud een leeuw van sabel (zwart), een schuinstaak van keel (rood), beladen met tranen van zilver (wit). De afbeelding toont het Namense wapen met een geblokte schuinbalk in rood afgewisseld door wit i.p.v. een doorlopende rode schuinbalk.

De nieuwe graaf van Namen, Gwijde’s oudere broer Jan, zal door de rechten die hij op de stad Sluis bezat zeker regelmatig daar zijn geweest, zijn paard ongetwijfeld getooid met tal van hangers.

Jan I van Namen (1267-1330)

Jan I van Namen verkreeg in 1282 op 15-jarige leeftijd rechten op gronden in het gebied van Sluis door een leen van zijn vader, Gwijde van Dampierre, de graaf van Vlaanderen. Hij was de oudste zoon uit het tweede huwelijk van Gwijde van Dampierre. De schenking betrof onder meer buitendijkse schorren gelegen ten noorden van de Zuiddijk. Na aanleg van de Noorddijk (Hoogstraat) kon vanaf het begin van de 14de eeuw dit gebied met straten en pleinen worden ingericht. Ook schonk Jan een terrein voor de aanleg van een begraafplaats en de bouw van een kerk, de St. Janskerk.² Nadat zijn vader gevangen genomen was door de Franse koning Filips IV en zijn moeder was overleden, werd Jan in 1298 gouverneur van Namen. In 1305, na het overlijden van zijn vader, wordt hij markgraaf van Namen en waarschijnlijk noemde hij zich ook Heer van Sluis. Die laatste titel wordt bevestigd door een Namense akte uit 1341 waarin de vrouw van Jan, Maria van Artois (1291-1366), gravin van Namen én Vrouwe van Sluis wordt genoemd.³

Jan en Maria trouwden in 1310 en ze kregen samen elf kinderen. Als graaf van Namen liet Jan I net als zijn vader munten slaan met een klimmende leeuw met hartstreep. Deze munten werden vanaf 1298 voornamelijk in Namen geslagen.

Tijdens de opstand van Brugge en het Vlaamse kustland (1323-1328) steunde hij de nieuwe Vlaamse graaf Lodewijk van Nevers (1304-1346). Als beloning hiervoor schonk de graaf in 1323 Jan het baljuwschap (waterbaljuw) over Sluis en het Zwin. Hierdoor kon hij juridisch toezicht houden, overtredingen bestraffen en mogelijk tol eisen of boetes innen. Daarnaast kon hij de scheepvaart naar Brugge controleren en eventueel blokkeren. Deze schenking laat weer maar eens het gebrek aan kennis zien dat de graven van Vlaanderen hadden aangaande de belangen van burgers en patriciërs in de steden. In Brugge zagen ze deze ontwikkelingen uiteraard als een bedreiging voor de handel en stuurden daarom stedelijke milities naar Sluis. Lodewijk van Nevers en zijn oom Jan werden door deze plotselinge opstand totaal verrast. Jan kon met een kleine groep van zijn volgelingen ternauwernood aan de bendes ontsnappen en Sluis binnen vluchten. Lodewijk van Nevers probeerde tevergeefs de boel te sussen, maar moest machteloos toezien dat Sluis door de Bruggelingen deels in brand werd gestoken en verwoest. Tijdens de gevechten raakten manschappen van graaf Jan gewond en hij zelf werd gevangen genomen en enkele maanden vastgezet in het Steen op de Burg in Brugge voordat hij kon ontsnappen. Ondanks dat hij, volgens de bronnen, een slechte gezondheid had, overleed hij in 1330 op 63-jarige leeftijd, een voor die tijd redelijk hoge leeftijd. Zijn vrouw, Maria van Artois, zou hem meer dan 30 jaar overleven. Zijn oudste zoon, Jan II, (1311-1335) volgde hem op als markgraaf van Namen.

Conclusie

De toeschrijving in het artikel van De Sutter dat de eigenaar van de hanger Gwijde van (Namen) Vlaanderen zou zijn, wordt door geen enkel bewijs gestaafd. Dat gebrek aan bewijslast geldt ook voor zijn oudere broer Jan I van Namen als mogelijke eigenaar. Echter, het feit dat Jan gronden in de stad Sluis bezat en een terrein voor het bouwen van een kerk schonk, maakt het aannemelijk dat hij Sluis vaak bezocht zal hebben. De rechten op de scheepvaart in het Zwin en naar Brugge, die hij in 1323 van de Vlaamse graaf ontving, waren de aanleiding van conflicten tussen hem en de Bruggelingen. Daarbij is het redelijk om te veronderstellen dat tijdens die gevechten de hanger verloren ging. Het eigendom van de hanger zou verder kunnen worden opgeëist door de opvolgers van graaf Jan I van Namen, die de schuinbalk in hun wapen voerden tot het graafschap Namen verkocht werd aan Philips de Goede, de graaf van Vlaanderen. De Sluise hanger bevindt zich sinds een aantal jaren in de collectie van de O.L.V.-kerk te Kortrijk en wordt daar tentoongesteld bij het verhaal over de Guldensporenslag.

Noten

  • ¹ Deze hangers zullen worden besproken in een volgend artikel. Paardentuighangers zijn volgens mij nog niet eerder in een Nederlands artikel gepubliceerd. Informatie hierover is schaars en blijkbaar zijn vondsten hier relatief zeldzaam. Als we informatie zoeken in Engeland blijkt dat er daar inmiddels enkele honderden van dergelijke hangers gevonden en online gepubliceerd zijn. De getoonde afbeeldingen daar bestaan uit typen die ook in Nederland en België voorkomen.
  • ² Uit een akte van 1 april 1325 blijkt dat Jan I graaf van Namen een stuk grond in de stad Sluis schonk ten behoeve van de aanleg van een begraafplaats en de bouw van een kerk ter ere van Jezus Christus, de Maagd Maria, Johannes de Doper en alle heiligen. Hij deed dit voor zijn eigen zielenheil en dat van zijn vrouw, Maria van Artois, en al zijn voorgangers en opvolgers. (akte 459, Graven van Namen, Rijksarchief Namen).
  • ³ De burgemeester, wethouders, gemeenteraad en de gehele gemeenschap van Sluis beloven de 60 pond die zij jaarlijks verschuldigd zijn gedurende drie jaar te betalen aan Maria van Artois, gravin van Namen en Vrouwe van Sluis, in ruil voor de invoering van accijnzen in de stad gedurende deze periode. 8 Oktober 1341. (akte 654, Graven van Namen, Rijksarchief Namen).

Literatuur

  • Gottschalk, M.K.E. dr., Historische Geografie van Westelijk Zeeuws-Vlaanderen. De Bataafse Leeuw, Dieren, 1983.
  • Hendrikse, H., Zegelstempels en Zegelringen uit Zeeuwse bodem. Aprilis, Zaltbommel, 2003.

Afbeelding bij de oorspronkelijke publicatie

Afb. 1. Hanger met in email het wapen van Namen. Br 2,7 cm. H 4,8 cm. incl. draagoog. Dat. 1300-1400. Collectie Kortrijk. Foto: Rudi Tant.

Afbeelding bij de oorspronkelijke publicatie

Afb. 2. Sint Maarten die zijn kleding deelt met een bedelaar. Het paard is getooid met vele tientallen hangers.
Vergulde messing bevestiging voor een hanger, liggend.

Bevestiging voor hanger, messing, verguld, l. 10,2 cm. Dat. 1300-1400. Vindplaats Sluis, part. collectie.

Foto: Henk HendrikseBeeldbronEigen foto van Henk Hendrikse, met zijn toestemming voor deze archiefwebsite

Objectgegevens en beeldgebruik

Bevestiging voor hanger, messing, verguld, l. 10,2 cm. Dat. 1300-1400. Vindplaats Sluis, part. collectie.

Oorspronkelijke beeldbron Bronverwijzing: Afb. 3.

Foto uit Zuidwesterheem 123, maart 2026, p. 5, Afb. 3 (Bij het artikel: 'Foto's: Henk Hendrikse, tenzij anders vermeld.'). Onbewerkte beeldgegevens uit de PDF; één bestand, CMYK naar RGB omgezet. Metadata verwijderd; geen uitsnede, verscherping of vergroting.

Afbeelding bij de oorspronkelijke publicatie

Afb. 4. Twee/derde groot van Namen van Gwijde van Dampierre, graaf van Vlaanderen (1263-1297). Atlas afb. G 2156. Voorzijde.

Afbeelding bij de oorspronkelijke publicatie

Afb. 5. Middeleeuwse afbeelding van Vlaamse strijders in de Guldensporenslag 1302.

Afbeelding bij de oorspronkelijke publicatie

Afb. 6. Tourse groot, geslagen in 1303 in Middelburg door Gwijde van Vlaanderen als ‘graaf van Zeeland’, Nationale Numismatische Collectie, inv.nr. NM-04443. Voorzijde: MONETA x MIDDELB.

Afbeelding bij de oorspronkelijke publicatie

Afb. 7. Sterling, Jan I van Namen, 1297-1330. Atlas afb. 2185, voorzijde.

Henk Hendrikse, Sluis, 2025. Foto’s: Henk Hendrikse, tenzij anders vermeld.